Hoge Veluwe
Plaatshert
Het edelhert (Cervus elaphus), in jagersjargon roodwild, is een hertensoort die voorkomt in Europa, Azië en Noord-Amerika. De Noord-Amerikaanse ondersoorten, die in de Verenigde Staten wapiti en in Canada elk (niet te verwarren met het Britse elk dat een eland is) worden genoemd, worden soms als een aparte soort, Cervus canadensis, beschouwd. Ook Europa en Azië kent enkele ondersoorten. Het edelhert is op de eland na het grootste hert
Plaatshert
Het edelhert komt in Nederland voor op de Veluwe, de Oostvaardersplassen en sinds 2005 in het Weerterbos. Af en toe wordt er een edelhert op de Utrechtse Heuvelrug gesignaleerd, alsmede aan de grens met Duitsland van aldaar toegelopen dieren.
Edelhert
De bronsttijd valt voornamelijk in de tweede helft van september tot begin oktober. Soms komen er zelfs paringen in november voor, maar die zijn in Nederland vrij zeldzaam. In deze tijd zijn de mannelijke edelherten zeer actief om zich voort te planten. Luid burlend houden ze concurrenten op de hoogte van hun aanwezigheid en hun motieven. Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe vaker hij zal burlen. De sterksten claimen een zo groot mogelijk roedel vrouwelijke dieren
Edelhert
Edelherten eten plantaardig voedsel: het zijn herbivoren. Ze voeden zich met gras, zegge, bies, heide, boomschors, knollen, wortels, vruchten, zaden, knoppen, scheuten en loof van bomen en struiken als wilg, spar en hulst, en landbouwgewassen. Grassen en kruiden vormen overal de hoofdmoot van het dieet. In bosrijke gebieden is het percentage schors, knoppen, zaden en scheuten groter dan in meer open gebieden.
Edelhert
Na de bronst zijn de actiefste mannelijke dieren vaak uitgeput. Niet alleen vanwege de forse inspanningen, maar ook omdat ze gedurende deze periode, die rond een maand kan duren, nagenoeg geen voedsel tot zich nemen. Hun lichaamsgewicht kan dan tot rond dertig procent zijn afgenomen. Wel drinken de dieren tijdens de bronst veel. De periode direct na de bronst is daardoor van nature een kwetsbare fase in het bestaan van een edelhert. In sommige natuurgebieden blijkt dat predatoren als wolven, en zelfs bruine beren, zich specialiseren in het doden van deze oververmoeide edelherten. De dieren hebben zich echter dan al kunnen voortplanten.
Edelhert
Gewei Enkel het mannetje draagt een gewei dat gemiddeld zo'n 70 centimeter lang en een kilogram zwaar is, maar kan uitgroeien tot meer dan 90 centimeter. Het gewicht kan variëren van vier tot tien kilogram.[2] Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, maar een hert in zijn laatste levensfase zal ook weer een kleiner gewei met minder takken krijgen. Een gezond dier heeft een forser en zwaarder gewei, maar niet per se meer enden dan een ziekelijk dier. Er is een duidelijk verband tussen de kwaliteit van het leefgebied en de grootte van de hertengeweien. In de zeventiende eeuw waren de geweien fors, en vanaf de Renaissance zijn in Duitsland geweien met 24 en meer enden geconserveerd; een daarvan weegt bijna 20 kilogram.[3] Er is zelfs sprake van een 66-ender, maar dit is een curiosum waarmee iets mis is. Vanaf de 17e eeuw eisten bevolkingsdruk, jacht en aanplant van naaldbomen hun tol. Na eeuwenlange verschraling kregen de Veluwse edelherten na de tweede wereldoorlog weer forsere geweien. Door aanleg van loofbos en wildakkers en het bevorderen van ondergroei verbeterden toen hun leefomstandigheden weer.
Spitser
Bij het herttenkalf begint rond de 8 maanden op de kop twee bulten, het begin van de rozenstokken, zichtbaar te worden zichtbaar te worden. De rozenstok behoort tot het skelet en vormt de basis waarop het gewei wordt gevormd. De rozenstok wordt ieder jaar korter en breder. Een spitser heeft nog een smalle hoge rozenstok, bij een oud hert is de rozenstok intussen zo kort geworden dat de stangen als het ware aan de schedel zijn verbonden.
Spitser
Het eerste gewei dat door een hert, de jaarling, wordt opgezet bestaat meestal uit twee rechte stangen zonder vertakkingen. Daarom spreekt men vaak over een spitser in plaats van jaarling
Spitser
ij 10-12 maanden zijn de rozenstokken volgroeid en begint de groei van het eerste gewei. In september is het gewei volgroeid en heeft in de meeste gevallen twee stokken oftewel spitsen, die een geheel vormen met de rozenstokken. De rozenkrans (de zichtbare scheiding tussen de rozenstokken en de geweistangen) ontbreekt dus, er zit alleen een verdikking tussen de relatieve dun en lange (5-8 cm) rozenstokken en spitsen (10-40 cm). Hoe ouder het hert is, hoe korter en dikker de rozenstokken zijn.
Bekermos
Beschrijving: Cladonia fimbriata heeft een relatief hoge trompetvormige podium-achtige structuren of podetia. De podetia stijgen als kleine buisjes en abrupt open uit trompet-achtig, dat is een onderscheidend kenmerk. De reproductieve structuur of apothecium verblijft op de top van de podetia. De podetia variëren van 1 cm tot 2 cm in hoogte en zijn meestal bedekt met een fijn stof van soredia. Soms is de vorm soredia grotere korrels, maar dit is zeldzaam. De randen van de podetia zijn zelfs, tenzij zij actief zijn te reproduceren, in welk geval de apotheciën te maken van de velg klonterig of onregelmatig. Het thallus is een grijs-groen tot groen. Schalen of squamules met een klein streepje (waardoor ze een gelobde verschijning) dekking van de thallus, maar niet de podetia. De squamules kan worden sorediate of stoffig. Sporen zijn kleurloos, 1-cellige en zijn verpakt 8 tot en met een ASCUS. De photobiont is Trebouxia.