Haaksbergerveen












Haaksbergerveen.
Het Haaksbergerveen ligt ten zuid-oosten van de dorpskern Haaksbergen. Aan de Duitse zijde ligt aansluitend het 70 ha grote natuurgebied het Ammeloër Venn. In het Haaksbergerveen is er een hoogteverschil, nl de meest oostelijke punt (Wennewickweg) ligt op 35 m NAP en op het meest westelijke bij de Parkeerplaats Niekerkerweg is dat 31 m NAP. Omdat water en de beheersing van het waterpeil bij het herstel van het hoogveen het belangrijkste is, bepaalt de geologie de indeling van het gebied. Dwars door het gebied ligt een zandrug van oost naar west die het Dievelaarslaantje of Dievelaarspad wordt genoemd. Daardoor stroomt het water aan de ene kant van het Dievelaarspad van zuid naar noord (dwz vanaf het Dievelaarspad naar de Buurserveenweg) en komt via allerlei verbindingen uiteindelijk in de Buurserbeek terecht. Aan de andere kant van het Dievelaarspad gaat het water richting de grens met Duitsland en via de koffiegoot naar de Berkel. (NB In het dorp Haaksbergen komt de naam Dievelaarslaantje nog een keer voor. Het is naam van het fietspad in het Park Groot Scholtenhagen waaraan ook het IVN gebouw ligt. De oorzaak is dat de schuur van de ondernemer Dievelaar (turfopslag ten behoeve van de steen- en pannendak fabriek) in 1951 van het veen naar het Park Groot Scholtenhagen is verplaatst.)


Haaksbergerveen.
Omstreeks 1300 zijn in Haaksbergen marktgenootschappen, ook wel marken genoemd, ontstaan. Deze marken kwamen voort uit buurtschappen. De marken waren nodig om regels te stellen aan het gebruik en beheer van de grond. Door het toenemend aantal mensen en de geringe hoeveelheid cultuurgrond waren er regelmatig conflicten. De rechten en plichten zijn eerst mondeling overgeleverd, maar omstreeks 1400 ook vastgelegd in zogenoemde markeboeken. Zo zou er een ongeschreven markewet zijn geweest die aangeeft dat iemand die op de woeste grond in een avond en een nacht een hut wist te bouwen waarbij er 's ochtends rook uit de schoorsteen kwam niet meer van huis en hof verdreven kon worden. In de marken werden afspraken gemaakt ten aanzien van het bestuur (kiezen van gezworenen), de landbouw (plaggen, maaien, turfsteken), de veeteelt en taken van maatschappelijke aard zoals begraven van dood vee, onderhoud van wegen en watergangen. Omstreeks 1830 behoort het huidige veengebied tot de marken Buurse, Haaksbergen en Hones. Het veengebied vormt in die tijd een natuurlijke grens met Duitsland. De Historie van Haaksbergen verhaalt over de ruzies tussen de marken Haaksbergen, Hones en Rekken over de verdeling van het o.a. het veen. Bij de huidige Niekerkerweg ligt een gebied dat nu nog de naam Twistveld draagt. Een van de zeer belangrijke punten bij de ruzie was o.a dat het Honesser veen maar 1 tot 1,5 m dik was en het Haaksbergerveen wel 1,5 tot 6 m dik. Ook de huidige straatnamen herinneren nog aan die periode zoals de Krakeelsweg en de Hellenveldweg. De naam Onlandseweg geeft aan hoe de bevolking tegen het veen aankeek; het was geen land: onland. De naam Hanebulterweg duidt op de aanwezigheid van de korhoen in die omgeving.

Haaksbergerveen.
Rond 1938 heeft de Staat der Nederlanden een onteigeningsprocedure in gang gezet om het veen door werklozen te laten ontginnen. Daarbij was de eigenaren beloofd dat zij het land na de ontginning tegen een redelijke prijs konden terugkopen. Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is het veen door de regering vrijwel zonder vergoeding onteigend om een werkobject te hebben voor de vele werklozen die toen verwacht werden. Door de oorlog is de ontginning echter niet doorgegaan. Wettelijk kan onteigend land echter niet worden teruggegeven. Dat heeft toen veel kwaad bloed gezet en zou een van de (vele) redenen zijn dat er tussen Staatsbosbeheer en de boeren moeilijk beheersafspraken gemaakt konden worden. Tussen 1952 en 1956 is door de Overijsselse Ontginningsmaatschappij nog 300 ha ontgonnen en als landbouwgrond verkocht. De resterende 500 ha is dus het huidige natuurreservaat het Haaksbergerveen.




Haaksbergerveen
Aangenomen wordt dat de hoogveenvorming als volgt gegaan is. In het gebied waar hoogveen zich gevormd heeft, hebben zich waterplassen bevonden. In die waterplassen groeit het veenmos en ontstaat er een proces van verlanding. De planten sterven jaar in jaar uit af en de laagte wordt langzamerhand gevuld met dood organisch materiaal. Er treedt een verarming op van het milieu omdat de voedingsstoffen in het organisch materiaal mee naar de bodem zakken. In die situatie krijgen de planten die in een voedselarm milieu kunnen leven de beste kansen en zoals gezegd voelt het veenmos zich daar bij uitstek thuis. Het veenmosdek wordt dikker en dikker omdat het veenmos bij goede temperatuur en voldoende water wel 50 cm per jaar kan groeien. Het afgestorven veenmos blijft aan de onderkant zitten. Omdat ook het afgestorven veenmos in staat is water vast te houden sluit het de omgeving van de buitenlucht af Door de afsluiting van zuurstof in combinatie met de lage zuurgraad stopt het rottingsproces van het afgestorven plantenmateriaal. Ondanks de geweldige groei per jaar is de toename aan veen slecht 0,5 tot 1 mm per jaar doordat inklinking optreedt. Dat wil zeggen voor een meter hoogveen heb je een eeuw nodig

Adder.
De adder (Vipera berus) is een giftige slang die behoort tot de familie adders (Viperidae). De slang wordt ook wel gewone adder, Europese adder of moerasadder genoemd en komt voor in vrijwel geheel Europa en in delen van Azië. De adder is de enige giftige slang die voorkomt in België en Nederland.[2] De adder wordt ongeveer 50 tot 70 centimeter lang en is te herkennen aan de koperbruine tot rode ogen met verticale pupil, de wat uitstekende schub boven het oog en het zigzagpatroon op de rug. De giftigheid wordt vaak overschat, de adder is lang niet zo gevaarlijk als bijvoorbeeld de mamba's, de cobra's of de meer verwante ratelslangen. De beet van de adder kan wel gevaarlijk zijn voor de mens maar hoewel jaarlijks tientallen adderbeten worden geregistreerd zijn fatale gevallen uiterst zeldzaam. De adder heeft een groot verspreidingsgebied en komt soms algemeen voor, hierdoor kan het dier goed worden onderzocht en is er veel bekend over de biologie en de levenswijze. De adder is eierlevendbarend, de jongen komen levend ter wereld. Op het menu staan voornamelijk gewervelde dieren, de adder staat daardoor hoog in de voedselketen en is een belangrijke verdelger van plaagdieren als konijnen en muizen. De adder heeft echter ook verschillende vijanden zoals zoogdieren en vogels.

Afgegraven Hoogveen
Vele miljoenen jaren geleden zijn er in het gebied van het Haaksbergerveen kleiafzettingen gevormd. Op grond van steenonderzoek wordt aangenomen dat in die tijd gletschers uit Scandinavië het Haaksbergerveen bedekten. De kleiafzettingen in het Haaksbergerveen liggen relatief dicht onder het maaiveld nl 4 tot 7 m. Deze kleiafzetting wordt ook wel een keileemlaag genoemd, hoewel de samenstelling van deze keileem anders is dan de keileem die in bijv Drenthe wordt gevonden. De keileemlaag is zeer slecht waterdoorlatend en vormt daardoor de basis van de waterhuishouding in het Haaksbergerveen. Verondersteld wordt dat deze oude klei als een schotel onder het veen ligt, waarna die schotel later door windafzetting met een laag fijn dekzand is overdekt. In de zandlaag van het Haaksbergerveen komt er bovendien her en der verspreidt nog een concentratie keileem voor. Keileem is o.a. herkenbaar door de aanwezigheid van graniet en zwerfstenen. Keileem bevat meer voedingsstoffen dan zand.

Kievit
Wetenschappelijke naam: Vanellus vanellus (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Kievit Vogelgroep: Plevieren Veldkenmerken. 31 cm. Karakteristieke vogel van agrarisch gebied. Een forse, metaalgroene en zwart-witte plevierachtige, met lange kuif en brede zwarte borstband, contrasterend met witte onderdelen. Kenmerkend zijn de brede vleugels en de relatief langzame, flappende vlucht. Staart wit met brede zwarte eindband; onderstaartdekveren rossig-beige. Geluid. Kenmerkende zang van mannetje in het voorjaar in opvallende buitelende baltsvlucht is ’kieoewiet kieoewiet’. Voorkomen. Algemene broedvogel. Habitat. Agrarische gebieden, drassige heidevelden, moerassen, duinen, etc. Voedsel. Plevierachtige fourageermethode van lopen of rennen, stoppen, pikken. Heeft uitgebreid dieet van allerlei ongewervelden, die in of op de bodem leven.

Grutto
De baltsroep van de grutto klinkt met wat fantasie als utto utto utto, dat hij snel achter elkaar roept. Aan deze roep dankt de grutto zijn naam. In de zomer heeft het mannetje van de grutto een oranjebruine kop, nek en borst. Ook de snavel is aan de kopzijde oranje. De flanken en de buik zijn gevlekt. Hij heeft een lange vrijwel rechte snavel. Als de grutto vliegt vallen de witte strepen boven en onder de vleugels op. De grutto is 36-44 cm groot en heeft een spanwijdte van 62-70 cm. Een grutto weegt 280-500 gram. Zijn levensduur bedraagt 10-15 jaar. De grutto lijkt op de rosse grutto. Deze heeft meer rood op de buik en een iets opgewipte snavel. Verder bewoont deze vogel een ander habitat. De rosse grutto broedt in arctische gebieden en overwintert bijna uitsluitend in (sub-)tropische kustgebieden en legt daarvoor enorme afstanden af

Grauwe gans
De grauwe gans (Anser anser) is de in Nederland meest voorkomende grijze gans. De ganzen zijn soorten uit de familie der Anatidea. Tijdens de vogeltrek vliegen grauwe ganzen in een V-vorm, waarbij ze het bekende schor klinkende gak-gak roepen.[2] Van deze soort stamt de tamme Anser anser domesticus af.

Klapekster.
Wetenschappelijke naam: Lanius excubitor Linnaeus, 1758 Nederlandse naam: Klapekster Vogelgroep: Klauwieren Veldkenmerken. 24 cm. Verenkleed zwart, grijs en wit. Groter dan Kleine Klapekster. Snavel, masker, vleugels en staart zwart; witte vleugelstreep vooral in vlucht opvallend, witte staartzijden. Witte of lichtgrijze band boven vleugels gevormd door schouderveren. Smalle witte wenkbrauwstreep. Kruin, nek en rug grijs, onderdelen grijswit. Zwart masker loopt niet op voorhoofd door als bij Kleine Klapekster. Sexen gelijk, maar vrouwtje iets minder duidelijk getekend. Juveniel sterk gebandeerd en zwarte masker incompleet. Zit, als andere klauwieren, in gebogen houding op uitkijkpost. Wipt en zwaait met staart als Grauwe Klauwier; golvende vlucht. Agressief tegenover indringers in territorium, zelfs tegen grotere roofvogels. Gedraagt zich in winter vaak opvallend, maar is zeer geheimzinnig in broedseizoen. Geluid. Roep ’sjek’ of ’truu’. Zang zacht met krassende en luidere fluitende tonen. Voorkomen. Gehele jaar vrij schaars en verspreid voorkomend. Habitat. Broedt in heidevelden, hoogvenen en andere vergelijkbare open gebieden met verspreide bomen en struiken. In winter ook in andere habitats, maar altijd nabij open plaatsen met voldoende uitkijkposten. Voedsel. Grote insecten en gewervelden, zoals kleine zoogdieren, vogels en hagedissen. Jaagt vanaf uitkijkpost als andere klauwieren, maar bidt ook regelmatig. Spiest prooi op doorns en prikkeldraad als andere klauwieren.

Grauwe gans
Wetenschappelijke naam: Anser anser (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Grauwe Gans Vogelgroep: Ganzen Veldkenmerken. 75-90 cm. Een grote, zware, grijze gans met grote kop. Grauwe Gans verschilt van andere ’grauwe ganzen’ door ontbreken van zwart op helder oranje snavel, vleeskleurige poten, lichtgrijze vleugelboeg en stuit, kop en nek niet donkerder dan lichaam en onderdelen (vrijwel) zonder donkere bandering. Borst vaak met zwarte vlekken, maar niet gebandeerd zoals bij Kolgans. Twee Europese ondersoorten kunnen in het veld herkend worden: Westeuropese A. a. anser heeft oranje snavel; Oosteuropese A. a. rubrirostris met roze snavel en blekere bovendelen. Geluid. Als van tamme gans. Voorkomen. Vroeger wijdverspreid, thans in verschillende kleinere gebieden. Sinds kort (opnieuw) ingevoerd in diverse gebieden. Zeer algemene broedvogel op IJsland. Habitat. Broedt nabij grote, open zoetwater gebieden met dichte oevervegetatie. In broedtijd in toendra, natte gebieden, moerassen, heidevenen etc. Buiten broedtijd in nat grasland, zoute en zoete moerassen, riviermondingen, ondergelopen terrein etc; fourageert ook op graanakkers, stoppelvelden en andere landbouwgebieden. Voedsel. Graast op wortels, knollen, groenebladeren, bloemknoppen, vruchten etc. Fourageert ook zwemmend. Ei. Zonder tekening, basiskleur crème-wit, licht- tot donkerbruin of geel wordend tijdens broeden. Schaal glad, niet glanzend. Vorm subelliptisch/lang subelliptisch. Formaat 85 x 58 mm (77-97 x 50-66), gewicht 149 g (122-179).

Grauwe gans

Fitis
Wetenschappelijke naam: Phylloscopus trochilus (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Fitis Vogelgroep: Loofzangers Veldkenmerken. 11 cm. Lijkt op Tjiftjaf; evenals deze zonder duidelijke kenmerken. Bovendelen bruingroen of olijfkleurig, gezicht en borst duidelijk geel, onderdelen witter. Wenkbrauwstreep onduidelijk, geel, geflankeerd door donkerder oogstreep. Handpennen steken verder voorbij tertials uit dan bij Tjiftjaf, poten meestal duidelijk bleker, wenkbrauwstreep doorgaans iets geprononceerder en kruin platter, alles bijelkaar meer indruk gevendvan een minder ronde, langere en slankere vogel. Actiever dan Tjiftjaf. Juveniel in het veld vaak te onderscheiden van adult door meer uniform geel en groen verenkleed, met name op onderdelen. Sommige adulten kunnen echter ook zeer geel zijn. Geluid. Roep ’huwiet’, tweetoniger dan Tjiftjaf. Zang vloeiende en welluidende serie van aflopende tonen. Voorkomen. Zeer algemene zomergast. Habitat. Variatie aan weelderig begroeide gebieden met struiken en lage bomen. Komt niet in uniform hoogopgaand bos voor. Voedsel. Voornamelijk insecten, die vaak na korte achtervolging of op vliegenvangerachtige manier worden gevangen.

Wintertaling
Wetenschappelijke naam: Anas crecca Linnaeus, 1758 Nederlandse naam: Wintertaling Vogelgroep: Grondeleenden Veldkenmerken. 34-38 cm. Kleinste Europese eend. Mannetje met opvallende, horizontale witte band op schouders, kastanjebruine kop met brede groene oogvlek, doorlopend tot op achterhoofd, roomgele vlek aan weerszijden van zwarte onderstaart. Bovendelen en flanken grijs gespikkeld, onderdelen wit, borst roomkleurig met donkere vlekken. Mannetje lijkt op grote afstand grijs met donkere kop. Beide sexen met half metaalgroene, half zwarte spiegel, door wittige strepen aan voor- en achterkant begrensd. Snavel grijs, poten bruingrijs. Vrouwtje met gevlekte bruine bovendelen en flanken, donkerder kruin; onderdelen ’s zomers gevlekt, ’s winters witter. In vlucht zeer wendbaar, vliegt snel en erratisch in dichte groepen. Geluid. Mannetje heeft muzikale ’wuu wuu’, vrouwtje een hoog, scherp ’kwek’. Voorkomen. Algemene broedvogel in het noordelijk deel van het gebied, minder algemeen in het zuiden. Habitat. Heeft in broedseizoen voorkeur voor woeste gronden, poelen in heide- en veengebieden; nestelt vaak vrij ver van water vandaan. Buiten broedseizoen op allerlei soorten zoet, brak en zout water. Bij voorkeur aan waterrand nabij overhangende of drijvende vegetatie. Voedsel. Afhankelijk van biotoop, seizoen, tijdstip en geslacht, verschillende fourageermethoden. Voedsel verschilt naar plaats en seizoen: in herfst en winter voornamelijk zaden van waterplanten, ’s zomers meer dierlijk voedsel (slakken, insectenlarven, waterkevers, garnaaltjes, wormen). Ei. Zonder tekening, basiskleur geelwit/vuilwit. Schaal glad, niet glanzend. Vorm subelliptisch/kort subelliptisch. Formaat 45 x 33 mm (42-50 x 31-36), gewicht 29 g (25-31). Eieren gelijk aan die van Zomertaling.

Scholekster
Wetenschappelijke naam: Haematopus ostralegus Linnaeus, 1758 Nederlandse naam: Scholekster Vogelgroep: Steltlopers Veldkenmerken. 43 cm. Grote, bonte, zwart-witte steltloper met lange oranje snavel en roze poten. Kop, borst, rug en vleugels glanzend zwart; brede witte vleugelstreep; onderdelen en stuit wit, staart wit met brede zwarte eindband. In winterkleed met witte keelband. Juveniel als adult maar bovendelen bruinzwart, snavel vuiloranje en witte keelband. Geluid. Roep luid ’tepiet’ en ’piek piek’. Fluitende zang als roep, eindigend in triller. Voorkomen. Algemene standvogel en doortrekker. Habitat. Over het algemeen aan zeekusten in diverse habitats, maar ook in binnenland in weilanden en op akkers. Voedsel. Boort naar schelpdieren (vooral mossel, kokkel, nonnetje). Schelpen worden geopend met snavel, door sluitspier van schelp kapot te steken. Eet ook krabben, wormen en in mindere mate insecten en eieren.

Kuif eend
Wetenschappelijke naam: Aythya fuligula (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Kuifeend Vogelgroep: Duikeenden Veldkenmerken. 40-47 cm. Bij mannetje contrasteren helder witte flanken en buik sterk met zwart van overig verenkleed. Lange, zwarte, afhangende kuif op achterhoofd, op afstand niet altijd zichtbaar. Vrouwtje met donkerbruine bovendelen, roodbruine wangen en nek; flanken geelbruin, buik roodbruin en borst donkerbruin, gevlekt met geelbruin; rudimentaire kuif. ’s Winters heeft vrouwtje witte buik en witte vlek rond snavelbasis. Snavel grijsblauw met zwarte punt, poten lichtblauw. Beide sexen hebben in vlucht een brede, witte band langs achtervleugel. Juveniel en mannetje in eclipskleed als vrouwtje. Geluid. Roep van vrouwtje een scherp, grommend ’karr’; in broedseizoen laat mannetje een laag gefluit horen. Voorkomen. Plaatselijk algemene tot zeer algemene broedvogel, in West Europa toenemend. Habitat. Zowel open als meer omsloten middelgrote zoete wateren; broedt graag op eilandjes. ’s Winters op meren, plassen en aan beschutte kusten. Voedsel. Duikt voornamelijk voedsel op van bodem tot op 3 m. Voedsel varieert met plaats en seizoen. Omnivoor, eet gewoonlijk schelpdieren, garnalen, insecten; soms aanzienlijke hoeveelheden plantaardig voedsel. Ei. Zonder tekening, basiskleur groengrijs, zelden heel lichtbruin. Schaal niet glanzend. Vorm subelliptisch/lang subelliptisch. Formaat 59 x 41 mm (53-66 x 38-46), gewicht 53 g (46-65).

Kievit.
De lucht kan er op mooie dagen in het voorjaar van vervuld zijn: 'Tjoewiet', de kreet van de kievit die zijn eigen naam roept. De spectaculaire buitelende capriolen, het elegante pak en de kuif als een lange veer op de hoed van een Musketier verschaffen de kievit een gracieus voorkomen. Kieviten broedden oorspronkelijk op grassteppen in gematigd Europa en Azië. Deze habitat werd echter al snel door de mens in gebruik genomen om vee te weiden en gewassen te verbouwen. De kievit heeft zich hieraan goed aangepast en het is één van de weinige soorten die zich goed in stand kan houden op akkers en weilanden in Nederland. Bij gevaar veinst een kievit een gebroken vleugel en probeert zo een nadende wezel, vos of hermelijn weg te lokken bij het nest. In Friesland (en Groningen) bestaat een oude traditie; kievitseieren worden vroeg in het broedseizoen gezocht. In 'ruil' voor het leeghalen van de nesten worden vervolglegsels beschermd. Dat deze nestbescherming ook kan zonder eieren te rapen is natuurlijk duidelijk; wie het om de bescherming van vogels gaat, neemt niet eerst de eieren weg, ook niet van een algemene soort.

Roodborst tapuit
Wetenschappelijke naam: Saxicola torquata (Linnaeus, 1766) Nederlandse naam: Roodborsttapuit Vogelgroep: Tapuiten Veldkenmerken. 12,5 cm. Mannetje met zwarte kop, kin en keel, witte vlek aan zijkant van nek en witte vleugelvlek. Bovendelen zeer donkerbruin, lichte stuit, oranje borst, witte buik en onderstaart, staart en vleugels donkerbruin tot zwart. In herfst met lichte veerranden en minder opvallend getekend. Vrouwtje en juveniel met bruin gestreepte bovendelen, zonder wit in nek of op stuit en met minder wit in vleugel. Makkelijk te onderscheiden van Paapje door ontbreken van wenkbrauwstreep en ander staartpatroon. Mannetje Aziatische Roodborsttapuit S. t. maurus (soms beschouwd als aparte soort) uit uiterste noordoosten van gebied heeft lichtere onderdelen, witte stuit en verder doorlopende halsband. Beide geslachten hebben in het najaar lichte keel en wenkbrauwstreep en lijken op Paapje, maar wenkbrauwstreep vaag (duidelijk bij Paapje) en bovenzijde weinig getekend (opvallende druppeltekening bij Paapje). Trekt veel met staart en vleugels, wat Paapje niet of weinig doet. Zit evenals deze in toppen van struiken, op dode takken en paaltjes, etc. Nestelt vaak op de grond in gras of tussen andere vegetatie. Geluid. Roep ’wiet trek trek’. Zang snel gebabbel met veel herhalingen en krassende tonen in korte frases, vanaf opvallende zitplaats of in korte steile baltsvlucht. Voorkomen. Algemeen maar plaatselijk zeldzaam; ondersoort maura breidt zich uit in westelijke richting. Habitat. Open landschappen met verspreide bosjes, lage boompjes, heidevelden, moerassen, braakliggende terreinen, langs akkers en bosranden, etc. Voedsel. Voornamelijk insecten; fourageert als Paapje, maar jaagt weinig op de grond.

Graspieper
Wetenschappelijke naam: Anthus pratensis (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Graspieper Vogelgroep: Piepers Veldkenmerken. 14,5 cm. Kleur variabel. Hoofdzakelijk grijsbruin, groenbruin of olijfkleurig, donker gevlekt en gestreept op boven- en onderdelen. Borst met geelbruine zweem, borst en flanken zwaar gevlekt, buik vuilwit. Wenkbrauwstreep, mondstreep en keel vuilwit, smalle donkere baardstreep. Twee wittige vleugelstrepen. Staart donker met witte buitenste staartpennen. Poten roze of grijzig, nooit zo donker als bijOeverpieper. Geslachten gelijk. Vaak zeer moeilijk te onderscheiden van Boompieper, behalve op geluid. Andere onderscheidende kenmerken zijn de minder uitgesproken koptekening, terwijl Boompieper over het algemeen een geler verenkleed en sterker roze poten heeft. Beide soorten houden zich vaak op de grond op of zitten, met name bij verstoring, op takken. In broedseizoen in paren, buiten broedseizoen meestal in kleine of grotere groepen, samen met andere piepers, leeuweriken, etc. Geluid. Roep dun ’iest’ en ’tsieiep’. Zang serie van dalende ’tsie’-tonen, versnellend en in triller eindigend, waarbij vogel als parachute naar beneden zeilt. Voorkomen. Algemeen, zomergast in noordoosten, stand- en trekvogel in midden en zuiden van gebied. Habitat. Voornamelijk in open gebieden met veel lage vegetatie. In de winter ook in andere biotopen, maar altijd in de buurt van voldoende dekking in vorm van lage vegetatie. Voedsel. Hoofdzakelijk ongewervelden, ook af en toe zaden. Fourageert vrijwel uitsluiten op de grond.

Grauwe gans

Kievit

Witte Kwikstaart.
Wetenschappelijke naam: Motacilla alba Linnaeus, 1758 Nederlandse naam: Witte Kwikstaart Vogelgroep: Kwikstaarten Veldkenmerken. 18 cm. Kleiner dan Grote Gele Kwikstaart, groter dan Gele Kwikstaart, zonder geel. In zomerkleed kruin, kin en borst zwart, voorhoofd, gezicht en wangen wit, bovendelen grijs, vleugels zwart en wit, onderdelen wit, lange staart zwart met witte buitenste pennen. In winterkleed gezicht veel witter, zwart gereduceerd tot smalle borstband. Mannetje heeft meer zwart op kruin dan vrouwtje en zwart is in nek ook scherper afgescheiden. Loopt, wipt constant met lange staart. Juveniel bruiner, zonder karakteristieke koppatroon van adult en met smalle borstband, als adult in winterkleed. Vlucht sterk golvend. In broedseizoen in paren, broedt soms in kolonieachtig verband. Buiten broedseizoen alleen of in losse groepen, maar slaapt dan op gezamenlijke slaapplaatsen met tientallen tot vele duizenden vogels. Bovenstaande kleedbeschrijving toepassing op ondersoort alba van continent. Britse ondersoort Rouwkwikstaart yarrellii (wordt soms gezien als aparte soort) heeft volledig zwarte bovendelen, zwarte of donkergrijze flanken en bredere witte vleugelstrepen; vrouwtje lichter maar altijd met meer grijs op flanken dan alba en met zwartere rug en stuit en donkere flanken. Stuit bij alba altijd grijs, maar dit in het veld vaak moeilijk zichtbaar. Geluid. Roep ’tissik’, minder scherp dan van Grote Gele Kwikstaart. Zang onduidelijk gebabbel, gemengd met roepen. Voorkomen. Talrijke broedvogel en gehele jaar aanwezig, maar in Scandinavië en Centraal-Europa zomergast. Habitat. Komt in allerlei biotopen voor, vaak nabij menselijke bewoning. Meestal in gebieden met open plekken en lage begroeiing, zoals akkers, buitenwijken van steden, parken, etc. Vaak nabij water. Voedsel. Voornamelijk insecten en andere kleine ongewervelden.Jaagt op de grond, rent achter prooi aan en vliegt vaak klein stukje op om prooi in de lucht te vangen.


Haaksbergerveen.
Het Staatsbosbeheer streeft naar herstel van het hoogveen. Men spreekt van "aangetast hoogveen, waar herstel nog mogelijk is". Gunstig zijn de slecht doorlatende bodem, de kleinschalige verveneingsstructuur met vooral veenputten en beheersmaatregelen van enkele decennia geleden. Er zijn goed functionerende dammen en dijkjes aangelegd om hoge en stabiele waterpeilen te bereiken en het weglekken van water uit dit gebied te voorkomen. In grote delen is al een begin van herstel te zien, doordat oude veenpakketten in een soort drijftillen zijn veranderd. Daarop heeft zich een bijzondere vegetatie gevestigd die lijkt op die van veenheiden.


Veenmossen.
Het veenmos en de vorming van hoogveen Voor de vorming van hoogveen is het veenmos een absolute voorwaarde. Om de vorming van hoogveen te kunnen en begrijpen is het noodzakelijk iets te weten van het veenmos. Veenmos heeft verder een tweetal eigenschappen die het plantje uniek maakt: De plant kan 10 tot 40 x zijn eigen gewicht aan water vasthouden; dit geldt niet alleen voor de levende cellen: ook de afgestorven cellen behouden hun structuur en zijn in staat water vast te houden. Veenmos maakt zijn eigen milieu: het is in staat het milieu te verzuren tot een pH 3,5 ( azijnzuur heeft een pH van ongeveer 4) Deze eigenschap stelt het veenmos in staat de concurrentie met andere planten te winnen. Bij deze zuurgraad ontstaat bovendien een sterk conserverende werking op organisch plantenmateriaal. Van het geslacht VEENMOS (Sphagnum) zijn vele ondersoorten. In het Haaksbergerveen zouden er 16 voorkomen. Die verschillende ondersoorten zijn alleen microscopisch te onderscheiden. Een indicatie is om te kijken waar het veenmos groeit. Er zijn soorten die in matig voedselarm water kunnen leven, zoals het Zwevend veenmos (= Sphagnum cuspidatum). Andere ondersoorten voelen zich juist in extreem voedselarm water het beste thuis. Zo komt alleen in zeer voedselarm water komt het echte Hoogveenmos (Sp magellanicurn) voor. In voedselrijk water gaat veenmos dood. Veenmos heeft geen wortelstelsel. Het voedsel moet via stengels en bladeren worden opgenomen. Het veenmos is daarbij geheel of nagenoeg geheel aangewezen op wat de omgeving te bieden heeft. Aangenomen mag worden dat in het hemelwater vroeger bijna geen voedsel aanweizig was.



Afgegraven hoogveen
Turf steken en turf De ontginning van het veen of wel de winning van turf verschilt van plaats tot plaats en is afhankelijk van de omstandigheden. Droge en natte vervening verschilt zoveel van elkaar dat er zelfs twee termen voor zijn: droge vervening heet afvenen en natte vervening wordt uitvenen genoemd. Ook de producten zijn anders: hoogveen levert lange bruine turf in de laaggelegen veengebieden is gebaggerd en de bagger soms met voetkracht (klunen) gedroogd, wat het korte zwarte turf oplevert. Bij de ontginning van het hoogveen gaat men als volgt te werk: Door het graven van sloten wordt een stuk het hoogveen eerst oppervlakkig ontwaterd. Daarna wordt de bovenste aarde, de bonkaarde verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd, waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw met name aardappelteelt. Onder de bovenste laag ligt het grauwveen ook wel witveen genoemd. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Vervolgens bereikt men het zwartveen, het echte veenmosveen, dat de zwarte turf of steekturf levert. Dit is als brandstof geschikt.

Afgegraven hoogveen
Het turfsteken werd gedaan door 2 personen: een steker en een afschuiver. De steker (met een speciale scherpe kleine schop) stak meestal 3 turven tegelijk en wierp ze in de kruiwagen. Als de kruiwagen bij 24 turven vol was bracht de afschuiver ze naar de plaats waar de turven moesten drogen. Die plaats was meestal een vlak stuk hoog gelegen veen. Het werd van opslag ontdaan. De eerste rij turven werd vlak neergelegd. De volgende rij turven kwam er op hun kant naast te staan. Het was een hele kunst want de turf mocht niet breken en de turf mocht ook niet met de hand worden aangeraakt. Een goede steker kon wel 6000 turven per dag steken tegen een prijs van 2-3 cent per turf. Na twee tot drie weken werden de turven zo danig opgestapeld dat de wind er van alle, kanten doorheen kon blazen. Deze "stoeken" bestonden uit 6-8 turven. Na het drogen werden de turven op ronde stapels gezet, klaar voor vervoer. Als de vaste turf was weggestoken bleef er een drabbige massa over, kluun mot genoemd. Deze massa werd uit de kluungaten geschept en over een zo vlak mogelijk oppervlakte uitgespreid. Na het uitwateren en drogen werd deze kluun in broodjes gesneden en verder als turf verwerkt. Bij het "'klunen" kwam de steker vaak in aanraking met boomstronken, stobben. Een deel van het veen waar de veenlaag niet zo dik was dankt daaraan zijn naam: Stobbenveen.

Haaksbergerveen
In het Haaksbergerveen treft men een typische hoogveenvegetatie aan met soorten als eenarig wollegras, zonnedauw en klokjesgentiaan. Daarnaast zijn er fraaie overgangen naar een basenrijk leemlandschap. Opvallende broedvogelsoorten zijn geelgors, wulp, grauwe klauwier, de gras- en boompieper, roodborsttapuit en blauwborst. Trekvogels zijn zeldzame kraanvogel en de grauwe gans. Bijzondere wintergasten zijn de Klapekster en de Blauwe Kiekendief. Andere diersoorten waarvoor dit gebied van belang is zijn insecten als libellen en waterjuffers, de vis grote modderkruiper, amfibieën als kamsalamander, heikikker en boomkikker en reptielen als de kleine hagedis en de adder.